Opinie: Venezuela legt journalistiek manco bloot, we hebben Caribisch-Nederlandse journalistiek nodig
De huidige crisissituatie onderstreept een tekort in onze journalistiek: er is te weinig samenwerking tussen Europees-Nederlandse media en hun Caribische collega’s. Dit heeft grote gevolgen voor de kwaliteit van nieuwsvoorziening en controle van de macht in ons Koninkrijk.
Geschreven door Joëlle Terburg, directeur-bestuurder van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (Fonds BJP) en Wensly Francisco, journalist, schrijver en documentairemaker en expert Caribische regelingen bij het Fonds BJP.
De afgelopen weken zagen we een toename in de berichtgeving over het Caribisch gebied. Het begon met bombardementen van de Verenigde Staten op boten in de Caribische Zee en met bijna-botsingen in het Curaçaose luchtruim. Vervolgens de aanvallen op Venezuela en de ontvoering van president Maduro en zijn vrouw. De gevolgen van het veranderde beleid van de VS in de regio worden steeds zichtbaarder.
Gewoonlijk lezen we in Europees-Nederlandse media niet zo veel over het Caribisch deel van ons Koninkrijk: de eilanden Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten en Aruba, Bonaire en Curaçao. Maar door de ontwikkelingen in de geopolitiek en sport – Curaçao plaatste zich voor het WK voetbal van komende zomer – staan de eilanden sinds kort ineens in de journalistieke belangstelling.
Naast NOS-correspondent Dick Drayer en Oscar van Dam, correspondent voor het ANP dat nieuws levert aan andere media, zijn er echter geen vaste correspondenten en dus sturen verschillende media nu verslaggevers naar de eilanden. En dat is belangrijk, want de gebeurtenissen zijn zorgwekkend en hebben concrete effecten voor de inwoners van ons Koninkrijk.
De instroom van Europees-Nederlandse journalisten legt echter wel een journalistiek manco bloot. In veel van de berichtgeving ontbreken lokale bronnen en expertise. De lokale stemmen die we horen zijn vaak vooral vox pops, ‘bezorgde burgers’ die toevallig op een strand lopen of in hun tuin zitten. Maar waar blijven de experts van Caribische komaf?\
De Europees-Nederlandse journalisten spreken bovendien meestal geen Papiaments, wat wel de voornaamste taal op Aruba, Bonaire en Curaçao is, en werken vaak zonder tolk, ‘want iedereen spreekt Nederlands’. Dit leidt tot een verschraling van de inbreng van lokale stemmen, die noodgedwongen op grote gebeurtenissen reflecteren in hun tweede (of derde) taal. Tot slot wordt er zelden samengewerkt door Europees-Nederlandse en Caribische journalisten.
Dit zijn tekortkomingen die bij een breed scala van media en titels merkbaar zijn. Het gaat ons dan ook om het patroon dat zichtbaar is en niet om individuele titels en redacteuren.
Journalistieke controle
Op 11 december 2025 schreef Wouter Veenendaal, bijzonder hoogleraar Koninkrijksrelaties aan de Universiteit Leiden, in de Volkskrant dat de Venezolaanse crisis een democratisch tekort in het Koninkrijk blootlegt. De ministers van Defensie en van Buitenlandse Zaken zijn nu namelijk primair verantwoordelijk om ook namens de autonome landen binnen het Koninkrijk – Curaçao, Aruba en Sint Maarten – op deze crisis te reageren. Maar de inwoners van deze eilanden stemmen niet voor de Nederlandse Tweede Kamer, die het werk van deze ministers controleert.
De huidige crisissituatie legt echter nog een ander deel van dat democratisch tekort bloot. De journalistiek heeft binnen een democratie een grote verantwoordelijkheid in het controleren van de macht. En hoewel Caribische journalisten solide verslag doen van de huidige gebeurtenissen, en lokale bestuurders bevragen op hun beleid, krijgt die lokale journalistieke expertise weinig ruimte in Europees-Nederlandse media.
Bovendien is de druk op Caribische redacties hoog: met bescheiden budgetten en kleine formaties, ontbreekt het vaak aan voldoende ruimte voor verdieping of onderzoeksjournalistiek. In deze situatie wordt het voor Caribische journalisten vrijwel onmogelijk om daarnaast ook nog Haagse politiek en beleid te onderzoeken. Terwijl in Den Haag óók wetten, regels en beleid worden gemaakt die consequenties hebben voor de Caribische eilanden in het Koninkrijk.
Cohesie
De Europees-Nederlandse journalisten die nu verslag doen op en over de eilanden, doen dat veelal op eigen houtje. Terwijl ze ook kunnen samenwerken met hun Caribische collega’s, die de situatie als geen ander kennen: ze hebben kennis van zaken, lokale sensitiviteit, het netwerk én de bronnen.
Emma Pullen, onderzoeker Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht en Glenn Thodé, voormalig gezaghebber van Bonaire en voormalig rector van de Universiteit van Aruba, betoogden dat we ons niet alleen moeten afvragen hoe we het Koninkrijk verdedigen met tanks en troepen. Hoe de gebieden aan weerszijden van de oceaan te verbinden, is de wezenlijke vraag. Hun antwoord daarop is: inzet op cohesie en communicatie.
Die cohesie en communicatie moeten vervolgens wat ons betreft niet alleen vanuit bestuurlijke en politieke gremia komen, maar juist ook vanuit de journalistiek. Daarvoor is het nodig dat Caribische journalisten middelen hebben om hun journalistieke taak te vervullen. Om daarin te voorzien, moeten redacties, politici, bestuurders en fondsen – zowel in Europees-Nederland als op de eilanden – kritisch kijken naar hun prioriteiten en de verdeling van middelen.
Ondertussen kunnen Caribische en Europees-Nederlandse redacties en journalisten al een belangrijke stap zetten: door samen te werken en de beschikbare middelen en het podium met elkaar te delen. Juist journalisten kunnen bijdragen aan een eerlijke en genuanceerde informatievoorziening. Want voor de versterking van de democratie in het gehele Koninkrijk, hebben we een gezamenlijke, Koninkrijksbrede, journalistieke cultuur nodig.